In deze CAO wordt onder “gelegenheidsarbeider“ verstaan:
de groep scholieren en studenten als bedoeld in artikel 3.13 lid 1 sub a van de Regeling ter uitvoering van de Wet financiering sociale verzekeringen (Regeling Wfs, publicatiedatum 16 december 2004, Staatsblad 2005 nr. 36);
de overige categorieën arbeiders als bedoeld in het voormalig Besluit Gelegenheidsarbeiders sector Agrarisch Bedrijf, Staatscourant 12 januari 2004, nr 6, te weten huisvrouwen/-mannen, asielzoekers en de zelfstandige boer die werkzaam is als gelegenheidswerker;
de uitkeringsgerechtigde als bedoeld in artikel 51 lid 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfs, publicatiedatum 16 december 2004, Staatsblad 2005 nr. 36).
Voor de gelegenheidsarbeider als bedoeld in lid 1 sub a en b geldt de voorwaarde dat hij maximaal acht weken aaneengesloten weken per kalenderjaar in dienstbetrekking mag staan tot dezelfde werkgever.
Voor de uitkeringsgerechtigde zoals bedoeld in lid 1 sub c gelden de volgende voorwaarden: De uitkeringsgerechtigde heeft een dienstbetrekking van maximaal zes aaneengesloten weken; de werkgever is in het kalenderjaar niet eerder een dienstbetrekking met deze uitkeringsgerechtigde aangegaan. In het kalenderjaar is niet eerder vrijstelling van de premies werknemersverzekeringen door de Belastingdienst verleend inzake een dienstbetrekking van deze uitkeringsgerechtigde.
De gelegenheidsarbeiders worden beloond volgens het voor hen geldende wettelijke bruto minimum loon. Zie bijlage II voor de desbetreffende bedragen.
Voor zover van toepassing worden vakantierechten bij het einde van de dienstbetrekking afgerekend.
De werkgever en de gelegenheidsarbeider behoeven geen premies af te dragen voor de bedrijfstakfondsen.